Het decreet op de ruimtelijke ordening omschrijft dat ruimtelijke ordening voortaan bepaald wordt door ruimtelijke structuurplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen (resp. op Vlaams, provinciaal en gemeentelijk niveau). Kort gezegd bevat een structuurplan een wensbeeld en vormt het het kader voor nieuwe projecten en ontwikkelingen; een uitvoeringsplan legt bestemmingen vast van stukken grondgebied en moet passen binnen het structuurplan. Op termijn zullen de structuurplannen en de uitvoeringsplannen in de plaats komen van de gewestplannen en bijzondere plannen van aanleg (BPA) en moeten gemeenten zelfstandig stedenbouwkundige vergunningen kunnen uitreiken.
Lees meer over ruimtelijke ordening in HuisWerk. Nog meer informatie vind je op de website van de Afdeling Ruimtelijke Ordening.
Jeugdverblijfcentra zijn goed gezoneerd als ze gelegen zijn in woongebieden of gebieden voor recreatie of verblijfsrecreatie. Een RUP kan echter ook extra voorwaarden of beperkingen opleggen, waardoor jeugdverblijfcentra in andere zones zone-eigen kunnen worden of jeugdverblijfcentra in woongebied of (verblijfs)recreatie zonevreemd. Informatie rond de diverse zones kan je vinden op de site van de Afdeling Ruimtelijke Ordening.
Zonevreemdheid is hoe dan ook een probleem voor heel wat jeugdverblijfcentra. Vandaar dat CJT deze problematiek van nabij opvolgt. We pleiten er mee voor een beleid dat de zonevreemdheid van jeugdverblijfcentra zo veel mogelijk tracht op te lossen. De resolutie van 24 mei 2006, het functiewijzigingsbesluit van 29 juni 2007 en de rondetafel van 2 juli 2007 hebben een aantal zaken in gang gezet. Naar aanleiding van de rondetafel werd een Task Force opgericht met ambtenaren van toerisme, jeugd, ruimtelijke ordening, natuur en bos en landbouw, samen met CJT, VVJ, Steunpunt Jeugd, een vertegenwoordiger van de provincies en een vertegenwoordiger van de gemeenten.
De meest concrete verwezenlijking tot nu toe is het functiewijzigingsbesluit voor jeugdlogies in agrarisch gebied. Dit legt een aantal voorwaarden vast waaronder jeugdverblijven toch stedenbouwkundige vergunningen kunnen krijgen in agrarisch gebied. Het moet bijvoorbeeld gaan over een bestaand gebouw dat nu gebruikt wordt als jeugdverblijfcentrum en een uitbreiding van het volume is niet mogelijk.
Op de rondetafel werd ook beslist om van alle jeugdverblijven in Vlaanderen een inventaris op te maken. De bedoeling van deze inventaris is om een volledig overzicht te krijgen van de problematiek: welke jeugdverblijfcentra liggen zonevreemd, welke vergunningen zijn uitgereikt, zijn er bepalingen opgenomen in gemeentelijke of provinciale plannen enz.? Dankzij dit overzicht zal er op Vlaams niveau kunnen bekeken worden of bepaalde problemen collectief kunnen aangepakt worden. In de loop van 2008 voerde het studiebureau Adoplan daarom, in opdracht van Toerisme Vlaanderen, bij elk jeugdverblijf een plaatsbezoek uit. Dat in het uiteindelijke proces om tot oplossingen te komen, ook de goodwill van de gemeenten nodig zal zijn, is vanzelfsprekend, maar niet altijd evident. Het sensibiliseren van deze lokale overheden is daarom van groot belang. Dit gebeurde in 2011 o.m. met de brochure "Kom uit je tent!".
Naast zonevreemdheid is het ontbreken van stedenbouwkundige vergunningen een tweede groot probleem. Een stedenbouwkundige vergunning omvat niet alleen een plan van het gebouw, het beschrijft ook de functie van het gebouw. Beide zaken moeten in overeenstemming zijn met de realiteit, anders is er een bouwovertreding en wordt het gebouw dus illegaal.
Sinds juli 2008 kan je bij de vlaamse administratie ruimtelijke ordening ook een brochure opvragen met daarin alle uitleg over de stedenbouwkundige regelgeving toegepast op jeugdverblijven. De brochure bevat echter niet de meest recente aanpassingen in de wetgeving, daarvoor verwijzen we naar een artikel dat verscheen in HuisWerk 23. Extra informatie kan je ook terugvinden op de website bouwen en wonen.
Kopen is de veiligste, maar ook duurste manier om je project leven in te blazen. Je moet immers op een heel korte termijn heel wat geld op tafel leggen (of lenen). Voordeel is natuurlijk wel dat het pand of de grond je eigendom wordt. Bij kopen komen wel nog heel wat extra kosten kijken. Denk maar aan de registratierechten. Onroerende voorheffing zou ook een extra kost kunnen zijn, maar gelukkig kunnen jeugdverblijfcentra hiervoor een vrijstelling aanvragen.
Sinds 1 januari 2008 geldt een inhoudingsplicht voor "sociale schulden". Dit houdt in dat je als opdrachtgever zelf hoofdelijk aansprakelijk wordt als de aannemer schulden heeft bij de RSZ. Eenvoudig gezegd komt het er op neer dat je bij de betaling van elke factuur 35 % van de factuur (excl. btw) afhoudt en rechtsteeks doorstort aan de RSZ.
Deze verplichting geldt niet voor natuurlijke personen die werken laten uitvoeren voor private doeleinden. Vzw's vallen hier dus zeker onder, maar voor particuliere uitbaters is er onduidelijkheid. In hoeverre is het uitbaten van een jeugdverblijf een private aangelegenheid? Voor de zekerheid raden we toch iedereen aan om na te gaan of de aannemer sociale schulden heeft. Sowieso kan het geen kwaad om de financiële toestand van de aannemer na te kijken alvorens je hem een opdracht toevertrouwt.
Sinds 1 januari 2009 geldt een soortgelijke reglementering voor "fiscale schulden". In dat geval moet je 15 % van de factuur (excl. btw) afhouden.
Gegevens over aannemers kan je opvragen via de portaalwebsite van de Sociale Zekerheid (doorklikken in de rechterkolom).
De wet betreffende de preventie van brand en ontploffing verplicht de aansprakelijkheidsverzekering 'objectieve aansprakelijkheid brand en ontploffing' voor elk publiek toegankelijk gebouw. De definitie van publiek toegankelijk gebouw vermeld niet expliciet de jeugdverblijven, toch is de verzekering een absolute aanrader.
Afhankelijk van jeugdverblijf tot jeugdverblijf kan nog andere wetgeving op vlak van brandveiligheid van toepassing zijn. Zo is de bouwproductrichtlijn op europees niveau de voornaamste richtlijn en werden op federaal niveau voor nieuwe gebouwen basisnormen uitgevaardigd. Ook de lokale overheid is vrij bijkomende en/of strengere brandveiligheidsnormen in te voeren. Hiervoor kunnen ze beroep doen op eigen expertise of te rade gaan bij de provinciale overheid.
Wie personeel in dienst heeft, moet voldoen aan de voorwaarden opgenomen in artikel 52 van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming.
De keuze van blusmiddelen hangt samen met de brandklassen.
Lees meer over brandveiligheid in HuisWerk.
Steunpunt Jeugd organiseert voor de Vlaamse jeugdlokalen een samenaankoop van allerhande brandveiligheidsmateriaal (blustoestellen, pictogrammen, branddekens, rookdetectoren, CO-melders en noodverlichting). Ook jeugdverblijfcentra kunnen aansluiten bij de samenaankoop.
Steunpunt Jeugd verkende de markt, liet het aanbod screenen door technische experts, zorgde voor juridisch sluitende contracten en koos de beste firma op vlak van prijs/kwaliteit.
Tot 30 september kunnen de concrete bestellingen doorgegeven worden.
Meer info op de website over jeugdlokalen.
Enkele websites spelen hier handig op in.
Toerisme Vlaanderen heeft een aantal toegankelijkheidsnormen uitgewerkt om de toegankelijkheid van gebouwen te verhogen. De richtlijnen zijn niet steeds op maat van jeugdverblijfcentra, maar kunnen wel gezien worden als een soort hulpmiddel. Ook rond het onthaal van mensen met een handicap werd een handleiding ontwikkeld.
Toegankelijkheid van gebouwen is ook terug te vinden in algemene wetgeving. De Vlaamse regelgeving voor publieke ruimten is vanaf 1 maart 2010 van toepassing en vervangt de oude wetgeving over de toegankelijkheid van publieke gebouwen van 1975. Sinds 31 maart 2011 is de wetgeving echter versoepeld, waardoor heel wat jeugdverblijven niet meer onder dit reglement vallen. De verordening geldt voortaan nl. niet voor jeugdverblijven met minder dan 10 slaapzalen én een eetzaal van maximaal 150 m². De nieuwe toegankelijkheidsregels worden opgenomen in de procedure tot het bekomen van de bouwvergunning.
Lees meer over toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers in HuisWerk.
Lees meer over toegankelijkheid voor andere doelgroepen in HuisWerk.
Volgens de OVAM -richtlijn mogen gemeenten de grens van 150kg afval per inwoner niet overschrijden. Hierdoor proberen gemeenten het afval van de gezinnen, woonachtig in de gemeente, zoveel mogelijk te scheiden van het overige afval. Dit heeft als gevolg dat jeugdverblijven worden beschouwd als een horeca-activiteit en dus gecatalogeerd worden onder het bedrijfsafval. Bovendien geldt nog een sorteerplicht voor zowel het huishoudelijk als het bedrijfsafval. Zomaar afval dumpen in een container is niet meer toegelaten.
Hoe je als uitbater de afvalverwerking best aanpakt, verneem je via de gemeentelijke milieuambtenaar of via het gemeentelijk afvalreglement. Omdat afval een gemeentelijke bevoegdheid is, kan dit van gemeente tot gemeente sterk verschillen. Sommige gemeenten staan zelf in voor het ophalen van het afval, anderen hebben een samenwerkingsverband met een intercommunale en nog anderen verplichten je samen te werken met een privé-firma.
Belangrijk is dat de verblijvende groep goed geïnformeerd wordt over de regelgeving want wat thuis kan, kan plots in een andere gemeente niet meer. En dit kan voor verwarring zorgen.
In de brochure 'Het nieuwe Vlarea voor KMO's en Zelfstandigen', uitgegeven door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, kan je bijkomende informatie vinden. De brochure is echter niet volledig op maat van jeugdverblijven.
Lees meer over afval in HuisWerk
Volgens een Europese milieurichtlijn, de kaderrichtlijn water, moet elke lidstaat een goede kwaliteit van oppervlakte- en grondwater bereikt hebben tegen eind 2015.
Om dit te verwezenlijken, werd de kaderrichtlijn water in Vlaanderen omgezet in het decreet 'integraal waterbeleid' (18 juli 2003). Daarin staan heel wat maatregelen om verontreiniging te voorkomen of te verminderen.
Wetgeving:
Op 9 februari 2007 heeft de Vlaamse Regering het nieuwe legionellabesluit goedgekeurd. Dit nieuwe besluit vervangt het besluit van 11 juni 2004. De bedoeling van de wetgeving is de preventie van de veteranenziekte. Dit is een potentieel ernstige longontsteking die kan optreden door het inademen van kleine in de lucht zwevende waternevel besmet met legionellabacteriën.
Het nieuwe besluit werd op 4 mei 2007 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en werd onmiddellijk van kracht.
Legionellabacteriën zijn kiemen die zich ontwikkelen in een waterige omgeving.
De groeicapaciteit van de bacteriën is temperatuursafhankelijk. Indien de watertemperatuur onder de 25°C blijft, overleven de kiemen, maar zal hun aantal weinig toenemen. De kiemen groeien goed bij een temperatuur tussen 25°C en 50°C, met een optimale groei rond 40°C.
Het is dus belangrijk om dit temperatuurbereik in waterige systemen te vermijden.
Bij temperaturen boven de 50°C zal de bacterie afsterven. Hoe hoger de temperatuur, hoe sneller ze afsterven.
Om de groei van de bacterie in watersystemen te beperken, worden een heel aantal eisen bepaald in het legionellabesluit.
Hoogrisico-inrichtingen zijn alle voor het publiek toegankelijke inrichtingen die gericht zijn op de behandeling, verzorging of huisvesting van gevoelige personen. Gevoelige personen zijn personen met ernstige immuunsuppressie, kanker, ernstig nierlijden, aids, diabetes of chronisch longlijden. Ook personen boven 65 jaar en rokers worden onder de gevoelige personen gerekend. Praktisch betekent dit dat alle ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen, rustoorden, serviceflats... onder deze wetgeving vallen.
Matigrisico-inrichtingen zijn alle voor het publiek toegankelijke inrichtingen met een collectieve warmwatervoorziening. De warmwatervoorziening moet potentieel betrekking hebben op 15 of meer personen per dag, met uitzondering van de werknemers die aanwezig zijn. Voor jeugdverblijfcentra met maximaal 14 personen overnachtingscapaciteit is het besluit dus niet van toepassing.
Het is een zeer ruime groep van inrichtingen waaronder volgende inrichtingen kunnen vallen:
Voor centra met een capaciteit tussen 15 en 40 personen wordt de wetgeving enigszins versoepeld. De boilers moeten op 60 °C worden gehouden en jaarlijks moet de watervoorziening worden onderhouden.
Nieuw is ook dat voor de matigrisico-inrichtingen een conformiteitsattest voor doe-het-zelvers bekomen kan worden bij de drinkwatermaatschappijen. In die gevallen moet dus niet noodzakelijk een erkend installateur aangesproken worden.
Bestaande installaties in grotere jeugdverblijfcentra (meer dan 40 personen) moeten niet noodzakelijk meer worden aangepast. Exploitanten van dergelijke inrichtingen zijn dus ook niet meer verplicht de 'structuur' van hun installatie voor een bepaalde datum aan te passen. Zij kunnen er voor kiezen om een aanvaardbaar (of eventueel hetzelfde) niveau van veiligheid te bereiken door een intensiever veiligheidsbeheer.
De noodzakelijke structurele en functionele preventiemaatregelen voor nieuwe installaties werden opgenomen in een 'best beschikbare technieken' studie (BBT). Deze (technische!) tekst kwam tot stand onder impuls van de Vlaamse overheid, in samenwerking tussen experten, sectoren en de overheid.
De Vlaamse overheid stelt een aantal fiches ter beschikking die de exploitanten moeten helpen bij het detecteren en saneren van potentiële probleempunten.
Een beheersplan en een risicoanalyse blijven wel verplicht voor alle inrichtingen en alle aerosolproducerende installaties (vanaf 41 personen). De te nemen maatregelen zijn afhankelijk van de individuele installatie en moeten beschreven worden in een op te maken risicoanalyse en beheersplan. Beheersplannen die opgesteld zijn ter uitvoering van het legionellabesluit van 2004 blijven geldig. Bij herziening van een beheersplan moet het beheersplan worden aangepast aan de bepalingen van het nieuwe besluit van 2007.
Voor de sanitaire installaties, de koeltorens en de klimaatregelingssystemen bestaat er een staalnameverplichting die verbonden is aan drempelwaarden en acties.
De meldingsplicht voor legionellagevoelige installaties wordt enkel opgelegd voor de uitbaters van koeltorens. Voor de andere inrichtingen wordt deze eis opgeheven. De melding dient voortaan te gebeuren aan de afdeling Toezicht Volksgezondheid en niet bij de gemeentelijke diensten.
Het toezicht op de naleving van het legionellabesluit wordt vanaf heden uitgevoerd door de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid.
Het decreet 'Toerisme voor Allen' omschrijft de erkenningscriteria waaraan een jeugdverblijf moet voldoen. Enkele van die criteria hebben betrekking op het sanitair.
Naast het decreet 'Toerisme voor allen' zijn er nog een aantal wettelijke bepalingen die van toepassing kunnen zijn op het sanitair.
Een overzicht van instanties kan je terugvinden via het waterloket. Meer informatie vind je bij de koepelorganisatie van de Vlaamse waterbedrijven.
Uit een kleine rondvraag bij jeugdgroepen blijkt dat netheid van het sanitair een belangrijke invloed heeft op de keuze voor een bepaald jeugdverblijf. Oud, smerig en onvoldoende sanitiar doet groepen afhaken. Wil je als uitbater extra comfort aanbieden, dan is het voorzien van extra sanitair zeker aan te raden.
Lees meer over sanitair in HuisWerk
HACCP-richtlijnen gelden enkel voor huizen die volpension aanbieden (of de volpensionmaaltijd bereid wordt door personeel dan wel door vrijwilligers, doet niet terzake). Zij dienen de gids voor de gemeenschapskeuken te volgen.
Deze huizen moeten een toelating aanvragen bij het Voedselagentschap (FAVV) en deze zichtbaar ophangen voor de klanten. Zij zullen jaarlijks een factuur krijgen die de werking van het FAVV mee moet bekostigen. In 2009 bedraagt de factuur 99,60 euro voor jeugdverblijfcentra waar maximaal vier werknemers werken in de keuken.
Jeugdverblijven die drank en/of kleine versnaperingen (chocolade, chips ...) verkopen, moeten zich laten registreren bij het Voedselagentschap. Gratis aanbieden kan wel zonder registratie.
Dat daglokalen in een jeugdverblijf zinvol zijn, staat buiten kijf. Maar wat zijn daglokalen? In principe bestaat daarvan geen definitie. Het decreet 'toerisme voor allen' verplicht jeugdverblijven van het type C wel over twee dagzalen te beschikken met een minimumcapaciteit van 15 personen. Per schijf van 40 extra bedden moet er een dagzaal voor 15 personen worden voorzien. Voor jeugdverblijven van het type A en B werd op de website jeugdverblijven.be een dagzaal pas opgenomen wanneer ook die een minimumcapaciteit heeft van 15 personen.
Lees meer over dagzalen in HuisWerk
Kenmerkend aan jeugdverblijven is het aanbieden van overnachting. Hiervoor moet wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan.
De belangrijkste voorwaarde is zonder twijfel de brandveiligheid. Elke slaapruimte is daarom voorzien van één rookdetector die ofwel is aangesloten op een detectiecentrale ofwel autonoom functioneert. De maximale capaciteit van de slaaplokalen wordt als volgt berekend: 4m³ per persoon. Bovendien moet er een vluchtweg voorzien zijn van 0,8m breed.
Andere voorwaarden die de veiligheid en de hygiëne in een slaapkamer garanderen, zijn voldoende verlichting en de mogelijkheid tot verluchten. Voor elke slaapkamer moet er daarom verlichting zijn die is aangesloten op het elektriciteitsnet. Het verluchten gebeurt via ramen, deuren of een luchtverversingssysteem dat in rechtstreekse verbinding staat met de buitenlucht.
Of een jeugdverblijfcentrum bedden aanbiedt, hangt samen met de typering. Een type C biedt minstens evenveel bedden aan als de maximale binnencapaciteit van het verblijf. Daarenboven worden deze bedden ook voorzien van matrassen, kussens, dekens en beschermhoezen. Een type B moet hetzelfde uitrustingsniveau aanbieden, op kussens en dekens na. Een type A hoeft geen bedden te voorzien.
De eisen voor meubilair in een jeugdverblijf liggen hoog omdat het niet altijd gebruikt wordt waarvoor het precies gemaakt is. Meubilair voor een jeugdverblijf kiezen is hierdoor geen gemakkelijke opdracht.
Het meubilair moet stevig, praktisch hanteerbaar, veilig maar bovenal ook betaalbaar zijn. Andere aandachtspunten zijn de toegankelijkheid van het meubilair voor personen met een handicap en de ecologische voetafdruk bij productie.
Lees meer over meubilair in HuisWerk
Verlichting vergt energie. Energie opwekken belast het milieu en wordt steeds duurder. Daarom is het aangewezen dit verbruik onder controle te houden. Tegelijk worden de comforteisen van jeugdgroepen steeds groter. Dit alles maakt efficiënt verlichten tot de norm.
Efficient verlichten betekent goede keuzes maken. Juist voldoende verlichten, een energie-efficiënte en jeugdvriendelijke lichtbron en -armatuur kiezen en een
gepaste sturing (bv. sensoren) gebruiken. Daarvoor is technische kennis en praktijkervaring nodig.
Lees meer over verlichting in HuisWerk.
Meer info:
* Keuze lichtbron
* Premie